A-G: geen recht op teruggaaf box 3-heffing 2017 - 2020 voor spaarder in proefprocedure massaal bezwaar plus

Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat X geen recht heeft op teruggaaf van de box 3-heffing over de jaren 2017 - 2020 naar aanleiding van het Kerst-arrest. De Hoge Raad hoeft niet terug te komen op zijn arrest van 20 mei 2022. De nieuwe-jurisprudentie-uitzondering is verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel.

X beschikt over bank- en spaartegoeden. Op 24 oktober 2022 verzoekt X om vermindering van de aan hem opgelegde IB-aanslagen 2017 - 2020. De inspecteur merkt deze verzoeken aan als verzoeken om ambtshalve vermindering en wijst ze af. De verzoeken worden geselecteerd als één van de (geclusterde) zaken die als proefprocedure worden voorgelegd aan de belastingrechter ter beantwoording van de rechtsvragen van de massaalbezwaarplusprocedure. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur het verzoek van X om ambtshalve vermindering van de box 3-heffing terecht heeft afgewezen. De onjuistheid van de belastingaanslag vloeit namelijk voort uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat die belastingaanslag onherroepelijk is komen vast te staan. De rechtbank verwerpt de stelling van X dat de onjuistheid van de vastgestelde aanslagen reeds volgt uit eerdere arresten van de Hoge Raad over de box 3-heffing uit 2015, 2016 en 2019. Deze arresten zien namelijk op de jaren vóór 2017, waarin sprake was van een andere box 3-heffing (forfaitair rendement van 4%). Daarnaast wijst de rechtbank erop dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het Kerst-arrest moet worden aangemerkt als nieuwe jurisprudentie in de zin van art. 45aa Uitv.reg. IB 2001. Ook de overige stellingen van X, waarbij hij zich onder andere beroept op het gelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, worden verworpen. X gaat in (sprong)cassatie.

Advocaat-generaal Pauwels concludeert dat X, een ‘niet-bezwaarmaker’, geen recht heeft op teruggaaf van de box 3-heffing over de jaren 2017 - 2020 naar aanleiding van het Kerst-arrest (Hoge Raad 24 december 2021, 21/01243, ECLI:NL:HR:2021:1963, V-N 2022/2.3). De Hoge Raad hoeft volgens de A-G niet terug te komen op zijn arrest van 20 mei 2022 (21/04407, ECLI:NL:HR:2022:720, V-N 2022/23.3). Volgens de A-G is de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering namelijk verenigbaar met het evenredigheidsbeginsel. De A-G wijst erop dat met deze nieuwe-jurisprudentie-uitzondering drie legitieme doelen in het algemeen belang worden nagestreefd: budgettaire belangen, het belang van uitvoerbaarheid en het belang van rechtszekerheid. De nadelige gevolgen van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering zijn voor belastingplichtigen niet onevenredig in verhouding tot die doelen. Ook is van belang dat de belastingrechter de belangenafweging die de regelgever heeft gemaakt, terughoudend moet beoordelen, omdat de keuze voor de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering een politiek-bestuurlijke afweging betreft. Het onthouden van een ambtshalve vermindering op grond van de nieuwe-jurisprudentie-uitzondering is volgens de A-G verder ook niet in strijd met het EVRM. De A-G adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep ongegrond te verklaren.

Bron: Taxlive